"Mijn schilderen is eigenlijk een vlucht uit de gruwelijke
realiteit van het leven", zegt Ferdinand Erfmann
in het videofragment uit 1968 naar aanleiding van zijn
expositie bij Galerie Siau in Amsterdam. Ondanks de erkenning
die hem op dat moment ten deel viel, maakt de kunstenaar
een verbitterde indruk.
Ook in zijn jongere jaren maakte hij er allesbehalve
een geheim van dat hij ongelukkig was. Hij had een gefrustreerd
liefdesleven en leidde als kunstenaar een bestaan in
de marge. In hetzelfde fragment zegt hij dat hij zichzelf
als mens en schilder beschouwt als 'apart', 'uitzonderlijk'
en 'eenmalig'.
Daarmee is niets te veel gezegd, want je hoeft maar
een glimp op zijn werk te werpen om tot dezelfde conclusie
te komen. Erfmann was een telg uit een Rotterdams theatergeslacht
en stond voor de oorlog regelmatig op de planken. Misschien
dat daar ook de bron ligt van zijn neigingen tot travestie.
Hij liep namelijk graag in vrouwenkleren rond.
Een obsessie die evenals zijn overige eigenaardigheden
terugkomt in zijn werk wat maakt dat het een zeer eigen
signatuur heeft. Het meest opvallend zijn de logge vrouwen
die zijn schilderijen en tekeningen bevolken. Zelf noemde
hij ze 'mastodonten' en ze representeerden voor hem
het vrouwelijk ideaalbeeld. "De eigenlijke oorzaak
voor het mislukken van mijn leven is deze'', schreef
hij eens, "ik was weg van meisjes met hele zware
armen en benen.''
Het merendeel van deze vrouwen heeft hij in onbestemde
hoedanigheid of als prostituées, vestiaires,
baadsters of acrobates vereeuwigd in een figuratieve
stijl die hij zelf kenschetste als psychisch synthetisch
realisme. Een stijl die raakvlakken had met de stroming
die in de twintiger jaren in Duitsland in zwang was
onder de naam Neue Sachlichkeit. Hij schildere vrij
schematisch zonder textuur waarbij de figuren een onbewogen
pose aannemen.
Erfmann was thematisch geïnspireerd door het klassieke.
Dat geldt voor zijn onderwerpkeuze waar bijvoorbeeld
naast de reeds genoemde ook krijgers, amazones en andere
mythische en bijbelse figuren toe behoren. Maar het
gaat ook op voor zijn stijl en zijn esthetische opvatting
dat ze een uiting waren van klassieke schoonheid.
Een ander thema is het gluren en het tonen. De toeschouwer
kan via het oog van Erfmann de voorstelling begluren.
Dit wordt nog eens versterkt door het lage standpunt
dat door de schilder wordt ingenomen. In het geval van
zijn zelfportretten en de afbeeldingen waar hij zelf
vermomd op staat, is het gluren een correlaat van zijn
exhibitionisme.
De man/vrouwrelatie is een derde thema in zijn werk.
De vrouwen zijn krachtig en sterk, de mannen schriel
en nietig. Hoezeer de vrouw de man de baas is blijkt
uit een doek dat hij vlak voor zijn dood schilderde.
In 'Varietéscène' (1968) zien
we een mannelijke en vrouwelijk figuur afgebeeld in
een gevechtsscène. De man ligt op de grond. De
vrouw, als uiteindelijke overwinnaar, staat met haar
voet op zijn borst.